De Oude Begraafplaats nader bekeken

 

De wijze waarop culturen omgaan met hun doden, ofwel funeraire cultuur, vormt een belangrijke graadmeter voor de mate van beschaving. Begraafcultuur is ook een van de uitingen van de cultuur die vaak heel goed is geconserveerd met name in de vorm van archeologische waarden. Oude beschavingen en culturen kennen we dan ook met name via hun funeraire cultuur. In dat verband kan bijvoorbeeld worden gewezen op de Egyptische pyramides en koningsgraven en dichter bij huis: de grafheuvels en urnenvelden. Tegen dat licht bezien zouden we kunnen zeggen dat begraafplaatsen de spiegel vormen van de maatschappij. Hoe zich dat proces op ons eigen plaatselijk niveau heeft afgespeeld gedurende een periode van vijf eeuwen kan worden afgelezen aan de ontwikkeling van de oude begraafplaats van Valkenswaard.

 

Het begin

Na de Romeinse tijd volgde er voor onze streken een periode van ontvolking. In latere tijd vestigden zich hier de Franken. Alleen de hogere dekzandruggen waren geschikt voor bewoning. Zo ook de rug tussen de riviertjes de Dommel en de Tongelreep. Aan het einde van de 7e eeuw werd er een begin gemaakt met de kerstening van de lage landen. In onze streken werden de doden tot de komst van het christendom hoofdzakelijk verbrand.
Rond het jaar 700 behoort het grondgebied van Waalre en Valkenswaard als domein aan een inmiddels bekeerde adellijke familie die in Obbicht in het huidige Zuid-Limburg woonde. In die tijd is een zekere Aengibald de leider van de familie. In 704 schenkt hij zijn domein aan Willibrord om als steunpunt te dienen voor diens missiewerk in deze streek. Het zwaartepunt van het domein wordt dan gevormd door een nederzetting te Waalre. Omstreeks 710 is in Waalre de eerste kerk gesticht die werd toegewijd aan de heilige Maria. De eerste kerk van Waalre is ongetwijfeld een houten gebouw geweest dat omstreeks de 12e eeuw zal zijn vervangen door het nog bestaande tufstenen kerkje in romaanse stijl. Er is een kalendarium bewaard gebleven waarin Willibrord de wijding liet vermelden. Een kalendarium is een lijst waarop de jaarlijkse gedachtenisvieringen der martelaren van één bepaalde kerk werden opgetekend, later een meer algemene lijst van feestdagen en kerkelijke hoogtijdagen. Hij noemt daarin Waalre “Uaedritlaeum” wat ongeveer betekent “het bos bij of van Wedert“. Voorzichtig kan daaruit worden opgemaakt dat er kennelijk al in de 8e eeuw een nederzetting met die naam was. Aanvankelijk zal ook Wedert (de oudste benaming voor Valkenswaard) hier ter kerke zijn gegaan terwijl het zijn doden vermoedelijk vanaf omstreeks 1100 is gaan begraven op een eigen begraafplaats. Aanvankelijk werd nog buiten de nederzettingen begraven, maar op den duur werd meer waarde gehecht aan een plaats in de kerk of zo dicht mogelijk daarbij op de hof rondom de kerk, het kerkhof.
Na Willibrords overlijden komen zijn bezittingen in handen van de abdij van Echternach. Deze abdij had het recht om zogenaamde ‘tienden‘ te heffen om in de instandhouding van de kerk te voorzien en de pastoor te betalen. Daarnaast bezat zij het zogenaamde ‘patronaatsrecht‘ wat inhield dat zij de pastoor mocht benoemen. Nu is er al in een oorkonde uit de jaren 1242-1269 sprake van tienden in Valkenswaard wat inhoudt dat er op dat moment al een kerk zou moeten zijn.
Uit 1321 stamt de oudste vermelding van een kerk te Valkenswaard. Aangezien Waalre en Valkenswaard tot omstreeks 1570 één parochie hebben gevormd met de hoofdkerk in Waalre moet het hier dus gaan om een soort dependance.
Volgens ‘Van Wedert tot Valkenswaard’ wordt als plaats voor de eerste kerk wordt beargumenteerd gedacht aan de zg. Kerckendries, een terrein in de vorm van een wapenschild gelegen op de splitsing van de huidige Dommelseweg en de Kromstraat. In 1471 wordt deze plek genoemd als de woonplaats van de kapelaan van Wedert. Reeds in 1446 worden enkele wegen vermeld die doen vermoeden dat zich hier ook de kerk bevond. Zo is er dan de Kerckwech in oost-west richting en het Kerckpat naar het zuiden. Volgens diezelfde bron werd in 1497 door de kerkmeesters grond aangekocht nabij de Roshoevel voor de bouw van een nieuwe kerk. Die locatie zou gekozen zijn om pragmatische redenen, namelijk de geschiktheid van de ondergrond en de centrale ligging tussen de gehuchten. In dat geval is het dan ook maar de vraag of zich op deze plaats al een begraafplaats bevond. Hoe de geschiedenis ook mag zijn verlopen, als vaststaand feit mag worden aangenomen dat in elk geval sinds ongeveer het jaar 1500 Valkenswaard hier zijn doden heeft begraven. Misschien dat in de toekomst archeologisch onderzoek meer klaarheid kan brengen.
De middeleeuwse kerk werd gebouwd omstreeks 1497 in de stijl van de Kempische gotiek.  In 1500 werd zij ingewijd. Of toen ook de toren al gereed was valt echter te betwijfelen. In die tijd werd een kerk niet alleen gebouwd met een religieus motief, maar als enige stenen gebouw ook als toevluchtsoord met de torenklok als ‘alarmsirene’ en de toren als bewaarplaats van de ‘comme‘: een kist met daarin het dorpsarchief. Straalsgewijs moeten de oude verbindingen hebben gelopen van de kerk naar de gehuchten. Opmerkelijk is in dit verband de aanduiding Lijckwech zoals de Beemdstraat in 1606 wordt genoemd en zoals die ook op de Zeelberg voorkomt.

bron: 'Van Wedert tot Valkenswaard'
bron: ‘Van Wedert tot Valkenswaard’

[plaatje de Beijerkopie De tekening van de Beijer uit 1738

De kerk is voor zover bekend twee maal in beeld gebracht. In 1738 maakte J. de Beyer, een in die tijd bekend illustrator, een tekening van de kerk. De kerk stond zoals dat algemeen gebruikelijk was ‘georiën­teerd‘: de langsas was oost-west gericht met de toren op het westen en het koor op het oosten. Het was een eenvoudige één-beu­kige dorpskerk met een totale lengte van ca. 39m. Het schip telde vijf traveeën en werd aan de oost­zij­de afgeslo­ten met een koor dat uit twee traveeën bestond en dat was voorzien van een driezijdige koorsluiting. Naar alle waarschijnlijkheid had het schip geen stenen overwelving maar een houten kap met een houten tongewelf. Het koor kan ook op die wijze zijn overdekt, maar hier zou ook een gemetseld gewelf toegepast kunnen zijn.

plaatje Verheeskopie
De schets van Verhees uit 1789

Aan de westzijde bevond zich een uit vier gele­dingen opge­bouw­de toren die werd bekroond door een be­trekke­lijk lage, geknikte spits volgens het model dat zo karakteris­tiek is voor de kem­pische gotiek. Aan de zuidoostzijde werd hij geflan­keerd door een over de onderste drie geledingen door­­lopende traptoren. Die opbouw in vier geledingen is toch wel opmerkelijk want de meeste vergelijkbare torens hebben slechts drie geledingen. De toren had daarmee een voor die tijd relatief weelderige uitstraling. In 1789 tekende ook de be­kende landmeter Hendrik Verhees de Valkenswaardse kerk.

Het gebouw is waarschijnlijk in twee fasen gebouwd, eerst het koor en het schip en daarna pas de toren. Deze werkwijze is niet alleen gebruikelijk in die tijd, maar bovendien bleek dat uit de analyse van de maatvoering die in 2002 nodig was om tot reconstructie van de plattegrond te komen. In deze stelling worden we nog gesterkt door de tekening van Verhees die de meest westelijke steunbeer van het schip nadrukkelijk naast de traptoren laat zien. We moeten er zodoende rekening mee houden dat de toren pas na 1500 is gerealiseerd. Van 1497 tot 1502 was Anthonius Sbruynincx de eerste bedienaar van de nieuwe kerk.

Zoals overal gebruikelijk werd niet alleen rond de kerk, maar ook in het gebouw zelf begraven. Omdat het begraafrecht in de kerk veel hoger was dan buiten op het kerkhof waren het de meer welgestelden die in de kerk hun laatste rustplaats vonden. Verder was er dan nog het verschil tussen het schip van de kerk en het koor. Het is een bekend gegeven dat er daarom in de kerken een weeïge lijkenlucht hing waarbij de geur van wierook ook als ‘luchtverfrisser‘ moest dienen. Tot op de dag van vandaag leverde die situatie een verrijking op van de Nederlandse taal: het begrip “een rijke stinkert” was geboren!

De instandhouding van de kerk en haar bediening werd in de middeleeuwen betaald uit de zogenaamde ‘tienden’. Daaronder verstond men een soort belasting ter grootte van een tiende van de opbrengst van het land. Een groot deel van die tienden werd binnen de heerlijkheid Waalre-Valkenswaard geheven door de abt van Echternach. Op de abdij rustte bijgevolg de verantwoordelijkheid voor het onderhoud van de kerk. Als de abt erin slaagde de kosten lager te houden dan zijn inkomsten uit de tienden, dan was dat natuurlijk prettig voor de financiën van de abdij; met andere woorden: de abt probeerde de kosten zo veel mogelijk te drukken. Het is dan ook niet verwonderlijk dat er in 1555 een geschil aan de orde was over het onderhoud der kerken tussen de kerkmeesters van Waalre en Valkenswaard aan de ene zijde en de abt van Echternach aan de andere zijde. Ook tijdens de Generaliteitsperiode deed zich de merkwaardige situatie voor dat de Abdij van Echternach het onderhoud moest verzorgen van de kerk die in protestantse handen was.

 

In protestantse handen

Na de Vrede van Munster die in 1648 een einde maakte aan de Tachtigjarige Oorlog werden alle kerkelijke bezittingen verbeurd verklaard. De kerk werd toegewezen aan de Nederduitsch Gereformeerde Kerk die tot bevoorrechte staatsgodsdienst werd verklaard. Ds. Johan Alstorphius werd in 1656 als eerste dominee voor Valkenswaard benoemd. Er was weliswaar vrijheid van godsdienst in die zin dat iedereen mocht denken en geloven wat hij wilde, maar elke vorm van religieuze uiting in het openbaar werd verboden, met uitzondering van de staatsgodsdienst. De katholieken waren zodoende genoodzaakt uit te wijken naar gebieden die buiten de soevereiniteit vielen van de Republiek zoals de Zuidelijke Nederlanden. Die van Wedert stichtten daarom een grenskapel net over de grens op de Beverbeekse Heide nabij de huidige Achelse Kluis.

Na de inval van de Fransen in 1672 werd het regime wat toleranter en werden, mits zogenaamde recognitiegelden werden betaald, schuil- of schuurkerken gedoogd. Deze gebouwen mochten dan als kerk worden gebruikt op voorwaarde dat ze er aan de buitenzijde niet zo uitzagen.

Tijdens de periode waarin de kerk toegewezen was aan de protestanten, een numeriek overigens kleine minderheid, werd het kerkhof als openbare begraafplaats gebruikt waar dus ook de katholieken ter aarde werden besteld. (± 1650 – 1804) Daarbij gold als voorschrift: vier palmen  aarde over de kist en geen kruis, noch op het graf, noch op de zwarte rouwdoek die de kist bedekte.

Voor een graf op het kerkhof was men 20 stuivers verschuldigd. Voor kinderen gold een tarief van ‘half geld’. Naar oud gebruik kon er ook in de kerk worden begraven maar hier werd wel verschil gemaakt. Gereformeerden waren vrijgesteld van begrafenisrecht terwijl katholieken voor een graf in het koor 6 gulden en voor een graf in het schip 4 gulden verschuldigd waren aan de predikant. De koster was daar ook goed mee, want voor een graf in het koor kreeg hij ook nog eens 2 gulden en voor een graf in de kerk 1 gulden en 10 stuivers. Het waren met name de rijke valkeniers  die zich een graf in de kerk konden veroorloven. Zodoende kon ook Tielman Tielen, de pastoor die na de omwenteling de wijk had moeten nemen naar de Beverbeekse Heide, na zijn overlijden in 1673 toch voor het hoofdaltaar in de kerk worden begraven.  In de periode 1717-1779 werden toch nog 17 katholieken in de kerk begraven waarvan 8 in het koor. Daarbij was ook pastoor Pieter Aarts die op 1 juli 1752 werd begraven.

Het dagelijks beheer en de administratie van het kerkhof waren doorgaans de taak van de protestantse koster, een functie die vaak was gecombineerd met die van schoolmeester. Zo ook in Valkenswaard. Dat verklaart ook dat in de 18e eeuw het schooltje van Valkenswaard op het kerkhof stond. Op de tekening van Jan de Beyer zien we nog net in de uiterste hoek rechts-onder een fragment daarvan. Voor de jeugd was het kerkhof dus ook de speelplaats!

torenuurwerk

In 1690 wordt er de eerste keer melding gemaakt van een uurwerk op de toren. De wijzerplaat bevond zich tegen de oostzijde van de toren om zodoende goed zichtbaar te zijn vanaf de Markt. De protestantse schoolmeester Peter Danckers had ook de zorg voor het onderhoud van het uurwerk. Op de afbeelding uit 1738 is ook goed te zien in welke erbarmelijke onderhoudstoestand de kerk zich toen bevond. Het bovenstuk van de linkersteunbeer is eraf gevallen.

 

De kerk terug naar de katholieken

Aan het einde van de 18e eeuw kwam er onder invloed van de ideeën van ‘de Verlichting‘ een einde aan het ‘ancien régime‘: de inrichting van de feodale maatschappij zoals die sinds de middeleeuwen bestond. De Franse Revolutie van 1789 was de belangrijkste kathalysator van dat proces. Ook in Nederland brandde het revolutionaire vuur en onder leiding van de Patriottenbeweging werd de oude Republiek in 1796 vervangen door de Bataafse Republiek. Op 1 mei 1798 werd de Staatsregeling (grondwet) van kracht.

De scheiding tussen kerk en staat werd volledig doorgevoerd en alle religies werden gelijkgesteld. Tegelijk vond er een herverdeling van het totale kerkelijk bezit plaats.

Op grond van de Staatsregeling werd bepaald dat:

De Torens, aan de kerkgebouwen gehecht, benevens de Klokken, met derselver huisingen, worden verklaard, eigendommen te zijn en te blijven der Burgerlijke Gemeenten, staande ten allen tijde onder derselver behering en onderhoud.

De reden voor deze beslissing was dat de overheid directe zeggenschap wenste over de klokken voor het gebruik in geval van brand, calamiteiten, oorlog of wat dies meer zij. Men was verder van mening dat de klokken niet alleen geluid moesten worden bij het overlijden van katholieke dorpelingen maar ook voor andersgezinden. Ook zij zouden op de begraafplaats hun laatste rustplaats blijvend moeten kunnen vinden. Over de kerkhoven wordt in de Staatsregeling niets gezegd. Aangezien alle gezindten er werden begraven werd algemeen gesteld dat de burgerlijke gemeente eigenaar was, hetgeen bij de invoering van het kadaster in 1832 in de Oorspronkelijk Aanwijzende Tafel werd bevestigd.

Uit de memorie behorend tot het dossier betreffende de onderhavige problematiek kunnen we kennis nemen van de omvang van het kerkelijk bezit alsmede de numerieke verhoudingen van dat moment. Het gebouw wordt getaxeerd op f 4200  en de inventaris op f 35-14-2. Het getal der zielen behorend tot “ ’t Roomsch Kerkgenootschap” bedroeg 1062 terwijl het aantal “Gereformeerden“, “Luteraanen” en “Jooden” op respectievelijk 64, 19 en 5 werd geregistreerd. Zodoende concludeerde men: “hoofdsgewijze omgeslagen, bedraagt voor ieder hoofd f 3-13-10“.

Zodoende kwam het gebouw met uitzondering van de toren tijdens het pastoraat van Anthony Hurx  in 1798 weer in katholieke handen. De overdracht gebeurde overigens niet zonder slag of stoot want de protestanten weigerden aanvankelijk zich bij de nieuwe wettelijke regeling neer te leggen.

Het gebouw verkeerde in een bouwkundig slechte toestand. De toren en het omringende erf kwamen in handen van de burgerlijke gemeente en het kerkhof hield zodoende zijn algemeen karakter.

Net als tijdens de Republiek bleef ook onder het Bataafs bewind de schoolmeester het beheer van het kerkhof houden. Dat blijkt uit de volgende resolutie van het gemeentebestuur van 18 januari 1806:

Is wyders tot voldoening aan de resolutie van het gedeputeerd bestuur van Braband dato 14e december ll tot het houden van het doodregister en het afgeeven van permissiebilletten ter begraving der leyken goedgevonden te qualificeeren zo als gequalificeerd word by deezen den schoolmeester dezer plaats welke voor de registratie van ieder aan te gevene leyk ingevolge voors. resolutie zal laten betalen drie stuyvers en voor het af te gevene permissiebillet insgelyks drie stuyvers beide boven de daar toe staande regels, terwyl in geval de overleden wierd gealimenteerd of geavoueerd onvermogend te zyn, zo wel de registratie als het permissiebillet pro deo zal worden gedaan en gegeeven en zal hier van by extract aan voornoemde Johannes Snoek en by publicatie aan den volke worden kennis gegeeven ten eynde een ieder zig daar na gedragen. 

In Frankrijk had Napoleon bij decreet van 12 juni 1804 in de Code Civil het begraven in de kerken en in de bebouwde kom verboden. Na de inlijving bij Frankrijk in 1810 ging dit decreet daarom ook op grond van de Code Pénal in ons land gelden.

Dit verbod was niet van lange duur want koning Willem-I herstelde de oude begrafenisrechten met name ten behoeve van de bovenlaag in de maatschappij bij Soeverein Besluit van 24 december 1813. Zo kon er in 1814 dus gewoon weer in de kerk worden begraven. Door de veranderde maatschappelijke inzichten is daar echter maar weinig gebruik van gemaakt. Wat dat betreft laten de bronnen ons voor de Valkenswaardse situatie in de steek, maar waarschijnlijk is er niemand meer in de kerk begraven.

 

Uit de artikelen 45 en 46 van het Plaatselijk reglement van Valkenswaard vastgesteld op 28 maart 1822 weten we iets over het begraven op het kerkhof.

                Voortaan zullen de overledenen aan de noordzijde van de parochiale Kerk en toren worden begraven, en zal ten dezen de volgende regel geöbserveerd moeten worden; te weten: het eerste lijk moet begraven worden westwaards in den hoek tusschen de vanwege het plaatselijk bestuur gemaakte lijn en de schans en zoo met de volgende lijken continuëren na den oostwaardschen hoek van het Kerkhof toe; moetende tusschen ider graf een en een halve el ruimte (doch niet meer) blijven en het graf te reekenen van het bovenste gedeelte der Kist tot gelijkt met den bovengrond van het Kerkhof een el diepte.

………….

                Geen lijk zal binnen de vierentwintig uren na het overleiden mogen worden begraven, noch ’s zomertijds langer dan driemaal vierentwintig uren, noch ’s wintertijds langer dan vijfmaal vierentwintig uren, boven aarde blijven staan.

IMG_1527Omdat de protestanten in 1825 hun eigen begraafplaats hadden gekregen bij de Nederlands Hervormde Kerk aan de Markt (ingewijd op 17 oktober 1813), werden er tijdelijk alleen katholieken begraven. Uiteindelijk werd toch bij Koninklijk Besluit van 22 augustus 1827 de inhoud van het Franse decreet uit 1804 tot Nederlandse wetgeving verheven.  Elke gemeente met meer dan 1000 inwoners werd verplicht een begraafplaats buiten de bebouwde kom aan te leggen. In Valkenswaard betekende dat het einde van het protestantse kerkhofje op de Markt en had dat tot gevolg dat de lidmaten van de protestantse kerk vanaf 1 jan. 1829 weer gebruik moesten maken van de algemene begraafplaats. Wel werd voor dit doel een afzonderlijk deel afgepaald.

Het betreffende raadsbesluit van 13 dec. 1827 luidt als volgt:

                   De Raad der Gemeente Valkenswaard bij herhaling gelezen hebbend het Besluit van Heeren Gedeputeerde Staten dezer Provincie van den 21. September lett. D.D. Bureau van Policie nopens het begraven van lijken enz:

                   Gezien het Besluit van welgemelde Heeren van den 13. November daaraan volgende lett: A omtrent de berekening der bevolking met opzichte tot het begraven op kerkhoven.

                    En in aanmerking nemende dat de voortijds algemeene begraafplaats der onderscheidene Christelijke Gezindheden dezer Gemeente op eene allezints geschikte plaats is gelegen en zoodanig ingerigt dat dezelve niet te wenschen overlaat, als zijnde op eene meer dan voldoende distancie van de huizen verwijderd en aan alle de heerschende winden blootgesteld.

                    Overwegende dat deze begraafplaats thans alleenig meer is dienende voor de leden van den Roomsch Cath: Eerendienst, wijl het Hervormd Kerkgenootschap dezer Gemeente in den jare 1825 een nieuw kerkhof heeft aangelegd.

                    Overwegende dat dit kerkhof in het midden en in de meest bebouwde kom der gemeente is gelegen en dat de begraving dus aldaar met 1° January 1829 zal moeten ophouden als hebbende deze gemeente eene bevolking van 1111 zielen.

                    Overwegende dat eerstgemelde begraafplaats groot genoeg is om op dezelve eene behoorlijke plaats af te kunnen palen, welke voor het gevolg zal dienen tot het begraven der lijken van de leden behoorende tot den Hervormden Eerendienst alhier.

                    Overwegende dat er binnen deze Gemeente geene begrafenissen in de kerken plaats hebben.

                Heeft goed gevonden en verstaan ter kennisse van Heeren Gedeputeerde Staten te brengen.

                1°. Dat, aangezien het Hervormd Kerkgenootschap dezer Gemeente met 1e January 1829 op deszelfs in de kom dezer gemeente gelegen kerkhof niet meer mag begraven voor hetzelve op de in het hoofd dezer gemelde begraafplaats eene geschikte plaats zal worden afgepaald tot begraving van denzelver lijken.

                2°. Dat de hiervoor benoodigde kosten, niet zoo hoog zullen loopen, of dezelven zullen uit den post van onvoorziene uitgaven wel kunnen bestreden worden en waarvoor dan ook later na kennis bekoming dier kosten de vereischte authorisatie zal verzocht worden.

                3°. Dat er geene begrafenissen in de kerken alhier plaats hebben.

                    En zal een afschrift dezes door tusschenkomst van den Heere Commissaris van het distrikt Oirschot, aan Heeren Gedeputeerde Staten worden gezonden.

                                                  Valkenswaard den 13. December 1827

                                                                                           De Raad voornoemd

                                                                                              (get.) De Jongh 

 

Er werd dus een afzonderlijk deel aangewezen waar voortaan de protestanten bij elkaar zouden worden begraven.

 

Een nieuwe kerk op de Markt

Weberkerk
De Nicolaaskerk op de Markt met zijn onafgebouwde toren naar ontwerp van Carl Weber

De oude kerk stond niet praktisch in de Kerkakkers op een kleine ’10 minuten gaans’ van de Markt. Bovendien was zij door de toename van de bevolking te klein geworden. In 1855 kwam toenmalig pastoor Aarts met het plan om een nieuwe kerk te bouwen in de kom van het dorp. De bekende Roermondse bouwmeester Carl Weber werd aangetrokken om een ontwerp te maken en in 1860 kon de kerk worden ingewijd……….met een onvoltooide toren.

Twee jaar later draagt de gemeenteraad bij besluit van 24 mei 1862 de toren met de daarin aanwezige klokken en uurwerk over aan de rk-parochie. Wel worden er een aantal voorwaarden gesteld:

      1° Dat de toren afgebroken en geruimd zal worden ten kosten van het Room­sch Catholijk kerkbestuur, en dat men bij het afbreken en wegrui­men, zoo veel mogelijk zal zorgdragen dat de graven ongeschonden blijven.

      2° Dat de eene klok zal worden gehangen in de toren van de Roomsch Catho­lijke gemeente in het dorp en dat het kerkbestuur die zal laten luiden bij plegtige gelegen­heden, feesten, brand, alarm of in buiten­gewone gevallen, gelijk zulks in den lande gebruikelijk is.

      3° Dat van deze klok gebruik zal worden gemaakt bij het begraven van lijken, onverschillig van welke godsdienstige gezindheid, tegen betaling van zestig centen van een groot en dertig centen van een klein lijk, aan de door het Roomsch Catholijk kerkbestuur aan te stellen luiders.

      Mogt het geval zich voordoen dat twee lijken van verschillende gezindheden, op eenen dag zouden moeten worden ter aarde besteld, zal men voor het lijk, niet van de Roomsch Catholijke gemeente luiden des morgens tot kwartier voor negen ure, ofwel later, nadat het luiden voor het Roomsch Catholijk lijk zal geeindigd zijn, en de plegtighe­den in de Roomsch Catholijke kerk  zijn afgeloopen.

      Onder de kerkdiensten der Roomschen en Protestanten zal nooit voor lijken geluid worden, het luiden onmiddelijk na den dood, en het luiden daags voor de begrafenis in den namiddag, zal voor of na de diensten in de Roomsch Catholijke kerk geschie­den.

      4° Dat het uurwerk in den toren van meer gemelde Roomsch Catholijke gemeente zal geplaatst worden, en ten kosten der Roomsch Catholijke gemeen­te, steeds in goeden gangbaren staat zal moeten worden onder­houden en opgewonden en tot gemoetko­ming van welke kosten, de Burger­lijke gemeente te Valkenswaard zich verpligt en verbindt jaarlijks aan het Roomsch Catholijk kerkbestuur te betalen de som van dertig gulden.

Kerk en toren worden daarna successievelijk gesloopt. Op donderdag 23 augustus 1866 bezoekt de Bergeijkse schoolmeester en heemkundige P.N. Panken het kerkhof. Hij schrijft:

      Van hier gingen wij door ’t Valkenswaards gehucht Geenhoven langs den ouden toren, die, tot eene hoogte van 5 el reeds weggebroken weldra niet meer bestaan zal, waarom ik ter plaatse nogmaals daarvan aanteekeningen maakte. Binnen­muurs had hij eene breedte omtr. 5 el en kwam in vorm enz. met de meeste oude dorpstorens der Meijerij overeen.

Uiteindelijk valt in 1889 het restant van de toren onder de slopershamer. Slechts onder­grond­se funderingsresten zijn ontsnapt aan de opruim­woede omdat het materi­aal niet geschikt zou zijn voor hergebruik.

Met het verdwijnen van de kerk houdt het ‘kerkhof‘ nu op te bestaan en wordt het ‘begraafplaats‘!

 

Eerste uitbreiding

Door de groeiende behoefte aan ruimte werd in de raadsvergadering van 20 oktober 1886, waarbij de begroting voor het dienstjaar 1887 werd vastge­steld, gelden uitgetrok­ken voor uitbreiding van de begraafplaats.

Voor die uitbreiding viel het oog op de akker van Hubertus Feijen die aan de oostzijde van de begraafplaats lag. Partijen konden het echter niet eens worden en zodoende besloot het gemeentebestuur aan de zuidzijde een deel van de akker van Jan Staals te kopen. De Kerkhofstraat moest daarvoor wel in zuidelijke richting worden verlegd.

Het college van B. en W. besluit daarom op 21 september 1887 de wegomlegging van de Kerkhofstraat te laten uitvoeren.

Waar­schijnlijk is van de gelegenheid gebruik gemaakt om de aanlegstructuur te veranderen waarbij aan de zuidzijde een poort is aangebracht. Vanaf de poort vond ontsluiting plaats via een hoofdpad nagenoeg evenwijdig aan de oostgrens van het terrein. De graven lagen waarschijnlijk in rijen evenwijdig aan dit pad hetgeen kan worden afgeleid uit de positie van de nog aanwezige rij graven van de familie Van Best. Op een kaart uit 1968 staat nog een tweetal posities vermeld die deze hypothese ondersteunt. De positie van de gietijzeren kruisen is hiermee eveneens in overeenstemming. Hieruit zou ook de ligging van de grens met de NH-begraafplaats, die dateert uit 1900 en die in 1922 werd verlengd, kunnen worden verklaard. Ook deze grens ligt namelijk nagenoeg evenwijdig aan het pad. Oorspron­kelijk werd het pad begeleid door een zestal beuken waarvan er nog vijf resteren.

eerste uitbreiding

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het NicolaaskerkhofHet inmiddels verdwenen graf van onderwijzer H. Snellens op pos. C-6-13. Op de achtergrond de sfeer omstreeks 1915. foto collectie Noud Jonkers
                        

 

 

 

Het inmiddels verdwenen graf van onderwijzer H. Snellens op pos. C-6-13. Op de achtergrond de sfeer omstreeks 1915.
(foto collectie Noud Jonkers)

Tegen het einde van de 19e eeuw blijkt de begraafplaats weer aan uitbreiding toe te zijn. Een ander gegeven is dat de verzuiling van de Nederlandse samenleving de behoefte doet gevoelen om te komen tot confessionele begraafplaatsen.

Het kerkbestuur van de Nicolaasparochie koopt daarom op 3 sept. 1897 op een veiling in de herberg van Hendrik van Ham een akker uit de nalatenschap van Hubertus Feijen. Dit is dezelfde akker waarvan de Raad in 1886 ook had geprobeerd een deel te kopen. Opvallend is dat zij bij de eerste zitting niet de koper waren. Wellicht waren de plannen nog slechts vaag en werd het kerkbestuur door de actualiteit van de veiling tot snel handelen gedwongen.

In 1900 werd de nieuwe rk-begraafplaats aangelegd. In het gemeenteverslag over het jaar 1900 lezen we daarover:

In 1900 is eene begraafplaats aangelegd voor Roomsch Katholieken en eene voor Nederduitsch Hervormden. Er werden in 1900 op de algemeene begraafplaats 52 lijken, op de Nederduitsch Hervormde één lijk, terwijl op de R.C. begraafplaats geene lijken werden begraven.

Kennelijk werd de nieuwe begraafplaats dus nog niet direct in gebruik genomen. Katholieken werden nog steeds op de algemene begraafplaats ter aarde besteld. Pas vroeg in het jaar 1906 komt daar verandering in en werd de nieuwe rk-begraafplaats feitelijk in gebruik genomen.

 

Protestantse begraafplaats

Vanouds werden de protestanten begraven in de noordwesthoek van het kerkhof
Vanouds werden de protestanten begraven in de noordwesthoek van het kerkhof

Ook al was het kerkhof van oudsher de begraafplaats voor alle gezindten, werd er niet door elkaar begraven. De protestanten werden bij elkaar begraven in de noordwesthoek van het kerkhof.

Net als de katholieken wilden de protestanten graag een eigen begraafplaats en richtten zich daarom met een verzoek tot het gemeentebestuur om een stuk van de algemene begraafplaats te kunnen kopen. Uiteraard ging het om dát deel waar vanouds de protestanten werden begraven. Het gemeentebestuur zag geen bezwaar en zodoende kwam er vanaf 1900 een eigen protestantse begraafplaats die van de rest werd afgescheiden en die aan de westzijde van het terrein ook een eigen toegangspoort kreeg. Deze poort is nu nog te zien.

In 1922 wordt de protestantse begraafplaats in zuidelijke richting uitgebreid door aankoop van een deel van de gemeentelijke begraafplaats. Een tweede uitbreiding volgt nog door een grondruil met het bestuur van de Antoniusparochie.

 

Het Antoniuskerkhof

Door de toenemende bevolking van Valkenswaard wordt op 19 maart 1920 de rk- parochie gesplitst en wordt aan de Eindhovenseweg de parochie van de Heilige Antonius van Padua gesticht. Bij de nieuwe kerk wordt geen kerkhof aange­legd, maar het parochiebestuur dat bestaat uit pastoor Wilhelmus van Vroonhoven, Hendricus van Ham en Thielemanus Smets kopen stukken grond aanpalend aan het bestaande kerkhof om “aldaar een eigen begraafplaats in te richten.

In 1922 krijgt de nieuwe parochie zodoende zijn eigen begraafplaats. Opvallend is dat slechts een deel van de aangekochte gronden als begraafplaats worden ingericht.

En zo ontstaat er een conglomeraat van vier afzonderlijke begraafplaatsen. Elk voorzien van een omheining en een eigen ingang.

Slechts vier jaar later, in 1926, besluiten de beide rk-parochies hun beider begraafplaatsen samen te voegen.

Slechts enkele grafmonumenten herinneren aan het voormalig Antoniuskerkhof waar in de vier jaar van zijn bestaan ruim 50 begravingen plaats vonden.

Slechts enkele graven herinneren nog aan de Antoniusbegraafplaats
Slechts enkele graven herinneren nog aan de Antoniusbegraafplaats
luchtfoto uit 1947
luchtfoto uit 1947 met de noodwoningen aan de Waalreseweg en de Kerkhofstraat

luchtfoto 1947 verklaring

 

 

 

Overname door de gemeente

Het naoorlogse Valkenswaard blijft groeien en er worden achtereenvol­gens nieuwe parochies gesticht: de Maria-parochie (1951), de St. Jo­zefparochie (1958), de parochie van St. Jan-evangelist (1961) en de Paulusparochie (1969). Allen blij­ven hun stoffelijke overschotten op dit kerkhof ter aarde bestellen. Plannen voor andere mogelijkheden worden wel gemaakt, maar komen niet verder dan het papier. Bijvoorbeeld bij het uitbreidingsplan ‘Omgeving nieuw station’, het plan voor de bouw van de wijk ‘de Warande‘ dat in juni 1951 bij de Provinciale Planologische Dienst van het tekenbord komt. Daarin werd voor de Mariaparochie voorzien in een nieuw aan te leggen begraafplaats op het einde van de Weteringstraat.

begraafplaats Mariaparochie 1951kopie

 

Opmerkelijk is het gebrek aan zorg voor het onderhoud van de begraafplaatsen. Het college van burgemeester en wethouders bespreekt de toestand in zijn vergadering van 4 juli 1957 en enkele weken later gaat er een  brief uit naar zowel het katholieke als het hervormde kerkbestuur:

In verband met de toestand van de bijzondere begraafplaats, verzoeken wij U deze wat te verfraaien of meer aandacht aan het onderhoud te willen besteden.”

In de jaren zestig wordt de begraafplaats weer te klein. Bovendien heeft de gemeente plannen een weg over een deel van de begraafplaats aan te leggen. (Een verbinding tussen de Kempi­sche Baan en de Dommelseweg waarvan het zuidelijkste deel in de vorm van de Nieuwe Waalreseweg is uitgevoerd.) Er werd een stedenbouwkundig plan gemaakt voor een vernieuwd en vergroot kerkhof, maar zover is het gelukkig nooit gekomen. De verbindings­weg was nota bene dwars over het oudste deel van de begraafplaats geprojec­teerd!

Een van de stedenbouwkundige plannen uit de jaren zestig
Een van de stedenbouwkundige plannen uit de jaren zestig

Ten behoeve van deze plannen wordt in 1960 een dialoog geo­pend tussen de gemeente en de diverse eigenaren van de be­graafplaats van Valkens­waard met als doel het zuidelijk deel van de begraafplaats te sluiten en op te heffen en de aanleg van de vernieuwde be­graafplaats voor te bereiden. Bij notarië­le akte van 25 ok­tober 1962 werd opgericht de “Stichting RK-begraaf­plaat­sen Valkenswaard” welke zich ten doel stelde voor de be­staande en nieuw te stichten RK-parochies een of meerdere gemeenschappelij­ke kerkhoven in te richten en te beheren. Ook de onderhavige begraaf­plaats zou aan die stichting worden overgedragen. De nieuw in te richten begraafplaats zou voor wat het RK-deel betreft door die stichting worden beheerd.

­Uiteindelijk mondt die dialoog in 1965 uit in de algehele overname door de gemeente en de nog jonge stichting liquideert zichzelf. Onder gemeentelijk beheer vindt er nog een kleine uitbreiding plaats aan de noordzijde: de vakken G, H en J. Er wordt begraven van 1967 tot en met 1971. Naar de heersende maatschappelijke tijdgeest worden er slechts twee typen standaard­stenen toegestaan: in de dood moest iedereen gelijk zijn.

Onder gemeentelijk beheer was de keuze voor een grafsteen beperkt tot twee modellen
Onder gemeentelijk beheer was de keuze voor een grafsteen beperkt tot twee modellen

Van de gelegenheid wordt gebruik gemaakt de ingang te verplaatsen naar de zijde van de Charles Ruijs de Beerenbrouckstraat. Een verbreed pad met absouteplaats bij de poort wordt aangelegd. Toen medio 1975 de Nieuwe Waalreseweg zou worden doorgetrokken naar de Dommelseweg kwam deze ingang alweer te vervallen en kwam er een ingang aan de andere zijde die bereikbaar was via de ingang van de LTS, de latere Rosheuvel.

Sinds 1971 werd het duidelijk dat het college van burgemeester en wethouders op termijn streefden naar algehele opheffing van de begraafplaats.

De grootse plannen worden echter geannuleerd. De LTS komt daardoor in een steden­bouwkundig vreemd aandoende context te liggen.

 

Waarschijnlijk mede door maatschappelijke invloeden (het “verbannen van de dood“) werd in 1970 ver buiten de kom van Valkenswaard een nieuwe algemene begraafplaats aangelegd. Vanaf dat moment gaat de oude begraafplaats langzaamaan zijn eeuwenoude functie verliezen……….maar gelukkig keert het tij rond de eeuwwisseling en heeft Valkenswaard nu een parel in het hart.

In 2001 / 2002 werd de eerste fase van de renovatie uitgevoerd:

  • Er kwam een nieuwe ingang aan de Kerkhofstraat,
  • Het hoofdpad werd bestraat,
  • Het lijkenhuisje werd gerestaureerd,,,
  • De plattegrond van de Middeleeuwse kerk werd met bestrating aangegeven,
  • De 18e eeuwse ommuring van het kerkhof werd gedeeltelijk teruggebracht.

 

In 2008 volgde de tweede fase van de renovatie:

  • Het hekwerk werd vernieuwd,
  • De Calvarieberg werd gerestaureerd,
  • De paden werden opgeknapt,
  • Er kwam een informatiebord.

 

 

 

stichting voor funerair erfgoed en cultuur in Valkenswaard